Marianne Bernard
Columns over mode

 

Het B-woord
Je zou denken dat in tijden van crisis alles hetzelfde blijft, maar de mode is een levend, veranderend en bewegend organisme, dat met haar takken de onverwachtste kanten uitgaat.
In de eerste plaats de legging. Al vielen de mussen van het dak – en het was soms echt heet in juli en augustus – de legging bleef. Zelfs onder de blootste zomerjurkjes droegen meisjes toch nog een legging. Waarom? vraag ik mij af. Waarom jezelf zo kwellen met een warm nutteloos kledingstuk? Nu staat de herfst voor de deur en de legging zal ongetwijfeld hét kledingstuk blijven. Terwijl ik me niet kan voorstellen dat het lekker is om met blote voeten in je schoenen of laarzen te lopen als het echt fris wordt. Maar mode gaat niet over praktisch. Zelf heb ik me tot één legging laten verleiden, een neutrale dunne zwarte. Op een koele dag trok ik hem aan onder een jurkje. Prompt begon het ongelooflijk te plenzen en daar liep ik met twee doorweekte natte zuilen om mijn benen. Gruwelijk.
Een ander fenomeen dat dit voorjaar uit het niets opkwam, is wat in het Nederlands zo grappig heet: de ‘zoave-broek’. Leuk voor jonge meisjes, dacht ik nog. Maar helaas, je ziet er ook andere vrouwen mee. Vrouwen die toch al niet het ideale figuur hebben (niet de sierlijke asperge die je volgens de foto’s in de modebladen moet zijn), maken zich nog twee keer zo kort en dik door zo’n zoave-broek te dragen, die wijd en losjes om de heupen hangt, met een kruis tussen de knieën en smal om de enkels. Vreselijk lelijk, maar het is mode, dus iedereen loopt ermee. In het Frans heet zo’n broek heel chic: sarouel. Volgens de Belgische Elle van augustus was de sarouel partout, partout, partout. In Vlaanderen is er een fantastische naam voor bedacht: ‘kakkebroek’. Zeer to the point, lijkt me.
Maar niet alleen verkeerde broeken maken veel vrouwen tot beertjes, ook een ander mode-item, het korte wijde jasje, is niet de ideale dracht om modieus en elegant te lijken. Toch draagt iedereen ze, en liefst ook nog volgens de voorschriften van de stylistes uit de damesbladen: met een hele trits kleding eronder. Eerst een topje, een mooi hemdje dat gezien mag worden. Daarover een overhemdbloes, vaak met ruches langs de hals, middenvoor en langs de mouwen. Daar weer overheen een bolero-achtig kort gebreid ‘behaaglijk’, vestje. En ten slotte een kort wijd wollen jasje, vaak ook nog in een Schotse ruit. En dan verbaasd opkijken als iemand je een ‘beertje’ noemt. Tja.
Hoe langer vrouwen gemiddeld worden, hoe lastiger het voor kleine vrouwen wordt om er niet uit te zien als een beertje. Vooral wat oudere vrouwen, die in hun glorietijd helemaal niet opvielen door klein te zijn, zijn nu twintig centimeter korter dan ‘gewone’ jonge meisjes en vrouwen. Wie het ongeluk heeft als oudere vrouw ook nog een beetje te krimpen en breder te worden – dat gaat helaas vanzelf, daar hoef je geen moeite voor te doen – gaat er dus uitzien als een beertje.
Denk bijvoorbeeld aan Catherine Deneuve. Nog steeds een hele mooie vrouw, maar een ander silhouet dan vroeger. Helaas voor haar is ze een beertje geworden. Als je probeert je haar voor te stellen in een zoave-broek of in een geruit kort wijd jasje, begrijp je meteen hoe fout die kleding is.
Toch zijn er ook hoopvolle tendenzen. Het Bijenkorf Magazine van september is getiteld Ageless Style – stijlvolle mode van alle tijden. De Bijenkorf biedt hoop en LBD’s, heel veel Little Black Dresses. Zodra het magazine was verschenen, ben ik onmiddellijk naar het warenhuis gesneld en heb ik een beeldig klein zwart jurkje gekocht: stevige zwarte katoenen tricot, een recht getailleerd model met een klassieke boothals en driekwart mouwen. Het gedroomde ideale zwarte jurkje. Dat zal ik de komende maanden lekker veel kunnen dragen. Daaroverheen trek ik lekker eigenwijs toch een kort wijd jasje aan. Eens kijken of ik er dan nog als een beertje uitzie.

Marianne Bernard, De Leunstoel, September 2009

  De rockchick en haar broek
Deze zomer is qua broeken alles mogelijk: lange broeken, korte broeken, minishortjes, strakke broeken, wijde broeken, zoave-broeken, cargo-broeken, driekwart broeken, zevenachtste broeken.
Een lange broek moet lang zijn, zeker niet ‘cropped’. Er bestaan zelfs allerlei regels: tot hoe ver precies de broek over je schoen en/of hak moet hangen om elegant en niet stom te staan. Aan de achterkant hoort hij zeker tot voorbij je hak reiken, aan de voorkant mag je zo min mogelijk sokje of panty zien. Eigenlijk zou een broek tot op de grond moeten hangen, ware het niet dat dit een beetje onhandig is met lopen. Het idee van twee lange zuilen is dat je benen zo lang mogelijk lijken voor een maximaal slankmakend effect. Hoe langer de broek, hoe eleganter het silhouet.
Maar in de zomer kun je ook wel eens een minder slankmakende, minder elegante, maar heerlijke driekwart katoenen broek aantrekken. Dat voelt een stuk minder heet dan een gewone lange broek en zo hoef je toch geen rok aan. Het is makkelijker op de fiets of in de auto, en je hoeft niet zo hevig na te denken of je geen inkijk hebt als je gaat zitten, zoals met een korte rok.
Shortjes, hotpants (modieus of sportief) of bermuda’s – om maar helemaal te zwijgen over afritsbroeken – dragen we alleen op de camping of op de boot of als we naar het strand gaan. Overal prima, behalve in de stad. Je wilt toch niet in een shortje door de stad lopen en worden aangesproken met de vraag: ‘How much?
De zoave-broek is een heel raar modeverschijnsel, een soort harembroek met een verlaagd kruis, dat soms zelfs tussen de knieën hangt. Ik vind zulke broeken (of broekrokken of rokbroeken?) niet mooi of lelijk, maar vooral gek. Echt iets voor jonge meisjes met experimentele inslag. Ach, je kunt hem later altijd nog afknippen tot een kort rokje.
Naast die elegante lange broeken is er een heel ander soort broek in de mode, niet zozeer elegant als wel hot: de ultra-strakke pijpjesbroek, gedragen door zogenaamde rockchicks. Dat zijn lange, slanke, uiterst dunne vrouwen, die eruit zien alsof ze op weg zijn naar een afspraakje met Mick Jagger. De superslanke lange broek, soms zelfs van zwart leer, maar vaak ook jeans, is onderdeel van een total look; daar hoort ook een oversided jasje met opgerolde mouwen bij (een leren jackje kan ook), en verward, schijnbaar onverzorgd lang haar. En uiteraard superhoge naaldhakken. In Parijs zag ik enorm veel van dit soort meisjes en vrouwen. De super-rockchicks zijn de hoofdredactrice van de Franse Vogue, Carine Roitfeld, en haar chef mode Emmanuelle Alt.
De enige broek waarmee je echt voor gek zou lopen en die niemand draagt, is de hoog-water-op-Scheveningen-broek van Michael Jackson. Door zijn dood worden op alle tv-zenders voortdurend clips en shows van hem uitgezonden en dan zie je hem altijd en eeuwig met zijn mooie schoentjes en zijn signature witte sokken en zijn expres net ietsje te korte lange, tamelijk strakke broek. Bij gewone stervelingen staat dat alsof je de broek van je kleine broertje hebt aangetrokken. Maar misschien komt daar nu verandering in en zou het wel eens een rage kunnen worden om in een Michael Jackson-broek rond te lopen.

Marianne Bernard, De Leunstoel, Juni 2009

  De modieuze senior
De mode dit voorjaar is fleur en kleur: jurken, rokken en bloesjes in felle kleuren, met stroken, veel dunne flodderstofjes en veel bloemetjes, soms twee dessins in één kledingstuk. Het Groot Mode Nummer van Elle (maart 2008) staat er vol mee: wat een enige mode. Ik dacht er snel bij te zijn en kocht voor mezelf een beeldig lichtblauw gebloemd bloesje. Thuisgekomen showde ik het vol trots aan mijn man. ‘Dat zou Grace Kelly nooit gekocht hebben’, zei hij. ‘Ben je je motto vergeten? What would Jackie do?’ Inderdaad ik was even in de ban van de bloemetjes mijn verstand kwijt geraakt. Als senior kun je dit soort kleren beter niet dragen.
Wie in de winkels rondkijkt zal ook heel veel minirokjes tegenkomen, alweer minirokjes. Die zou Grace Kelly ook niet kopen. Als senior doe je er het beste aan om je zo elegant mogelijk te kleden. Dus laat die minirokken en die pofmouwtjes gewoon hangen. Wie zich te jeugdig kleedt, maakt zich belachelijk. Maar wie zich te ouwelijk kleedt, ziet er nóg ouder uit.
Het boek Harper’s Bazaar Great Style wijdt er een heel hoofdstuk aan: Fabulous At Every Age. Wie onder de dertig is kan zich alles permitteren, fantasierokken, halterjurken met blote schouders, korte hesjes op driekwart broeken, minijurkjes, shortjes – kortom alle kleren die nu hot zijn. Dertigers worden verondersteld langzamerhand een gevoel van stijl te hebben ontwikkeld: zorg dat je een paar ‘klassiekers’ – ze bedoelen nette jasjes – in je garderobe hebt.
Daarna gaat het langzaam maar zeker bergafwaarts. Voor veertigers is het belangrijk om ‘smart’ en conservatief te zijn, ook al mogen zij zich soms nog te buiten gaan aan een minirokje, als ze het verder maar houden bij een ‘vrouwelijke’ rok, liefst met een ‘kwaliteitsjasje’.
Now is the time to embrace traditional elegance with uptown appeal. Leave the latest trends by the wayside’, lezen we over de vijftigers. Deze dames (je wordt nu echt verondersteld een dame te zijn) dienen klassieke, rustige (effen) kleuren te dragen, zoals donkerbruin, donkerblauw en zwart. Dit hoeft niet saai te zijn, zegt Harper’s Bazaar, als je mooie modellen kiest. Draag eenvoudige rokken, simpele rechte, of licht uitlopende, en ook niet zo korte, en combineer die met mooie tops en simpele jasjes.
Voor vrouwen van in de zestig en de zeventig gelden nog strengere regels: kies klassieke vormen, zachte stoffen en af en toe een opvallende (‘top-notch’) top. En ‘volg je eigen instinct’ staat erbij. Op de bijpassende plaatjes aardige rokken, bloesjes en jasjes, maar allemaal nogal tuttig. De vrouwen op de foto’s (zoals Jane Fonda en Barbara Walters) zien er opvallend slank, mooi en elegant uit – niet zoals je je in je fantasie vrouwen van boven de zestig voorstelt.
Het is logisch dat je als zestigplusser niet meer in een minirok kunt rondlopen, maar moet je je echt als een tut kleden? Dat is voor de Amerikaanse ‘modieuze’ senior misschien het beste, maar niet voor de Nederlandse swingende grootmoeder. Die kan best leuke jurkjes en rokken dragen en nog een beetje jeugdig elan uitstralen. Ik hou weliswaar van elegant, maar helemaal niet van sober. Al die beschaafde effen kleuren vind ik stijf en saai. Het is al erg genoeg dat een fatsoenlijke senior geen knieën, oksels of bovenarmen meer mag tonen.
Dan haal ik veel liever voor het zoveelste jaar mijn strokenrokken tevoorschijn en draag ik daar weer mijn oude leren jackje op. Volgens mij kan ik op die manier nog steeds met de mode mee. En die minirok? Ik wacht rustig tot we over een paar maanden met vakantie gaan. Dan stop ik lekker alle verboden kleren in de koffer: een minirok, een jurkje met blote schouders, een short, een bikini (ik neem ook wel een beschaafd badpak mee) en een paar hemdjes, die ik lekker bij mijn capribroek draag.
Jenny Levin. Harper’s Bazaar Great Style. New York: Hearst Books, 2007. Bij American Book Center, Amsterdam of via Amazon.

Marianne Bernard, De Leunstoel, Maart 2008

  Tijdloze klassiekers?
Ik dacht mijn oude blauwe jas nog eens aan te trekken. Een mooie winterjas die ik ongeveer twintig jaar geleden zelf heb gemaakt. Ik haalde hem uit de zolderkast tevoorschijn en paste hem aan. De stof voelde heerlijk en hij zat warm en behaaglijk om me heen. Toen keek ik in de spiegel en zag ik het: die jas kón helaas niet meer. Alles aan de jas was fout: veel te brede schouders, veel te dikke schoudervullingen, de hele coupe leek op de een of andere manier niet te kloppen. Ik heb hem zuchtend en met pijn in het hart weer in de zolderkast teruggehangen, waar hij nu wacht op betere tijden. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om hem weg te doen.
Bij het doorbladeren van oude modetijdschriften kun je het ook zien. Vóór 1990 is de mode absoluut antiek en ondraagbaar. De plaatjes maken je meteen aan het lachen. Je ziet direct uit welke periode de kleren zijn. Uit de jaren tachtig zijn de grote, lange, colbertjes met brede schouders, smalle taille en lange smalle heupen, een soort mannenjasjes. Daarbij droegen we kleine korte kokerrokjes – destijds trefzeker door Opzij-hoofdredactrice Cisca Dresselhuys ‘dwangrokjes’ genoemd. Alles uit die periode ziet er nu vreselijk gedateerd en weerzinwekkend uit.
Toch lees ik in mijn naaiboeken uit die tijd: ‘Maak deze tijdloze klassiekers.’ Hoe kan het dat je twintig jaar geleden dacht dat een jas ‘tijdloos’ was, terwijl die er nu zo gedateerd uitziet? Hoe kan iets tijdloos zijn?
Nu sla ik het novembernummer van de Amerikaanse Vogue open en kijk eens aan wat een verrassing: ‘Timeless style. Dit pakje is mooi in 2007, het zal nog net zo chic zijn in 2027, en het zou zeker ook mooi hebben gestaan in 1967.’ Daar zit hem de kneep. De mode van veertig jaar geleden lijkt heel erg op wat nu weer ‘modern’ is. Rechte Jackie Kennedy-jurkjes en -pakjes, jurken sowieso, jurken met een taillenaad (die hebben we jarenlang echt niet gezien) en jurken die bestaan uit een strak lijfje met een wijd uitlopende rok. Ze doen bij Vogue net of we dat al die jaren zijn blijven dragen. Het zal er wel niet van komen maar je zou dit plaatje met bijschrift eigenlijk twintig jaar moeten bewaren om het te controleren. Zou het er in 2027 niet idioot uitzien, net zoals mijn oude winterjas nu?
Bij de modeshow van Valentino zagen we de afgelopen zomer ook allemaal jurkjes en pakjes die zó uit 1967 zouden kunnen zijn nagemaakt en hij had er ook inderdaad een paar oude modelletjes stiekem tussen zitten. Slechts een enkele oplettende moderedactrice, zoals Suzy Menkes van de International Herald Tribune zag dat.
Ook als je een oud modeblad uit 1967 openslaat, kun je vaststellen dat je alles wat daarin staat zó weer aan zou kunnen (nou ja, niet alles natuurlijk, maar het gaat om het beeld).
Dus mijn heerlijke oude winterjas wacht rustig (met een mottenbal in de ene en een lavendeltje in de andere zak) tot het weer zo ver is. Ik heb ook nog een paar hele oude jurkjes hangen, cocktailjurkjes uit de jaren zestig. Ze zien er nog – weer? - beeldig uit. Ik zou ze meteen weer kunnen dragen, maar dat gaat helaas niet, daar kan ik slechts over dromen. Ik haal mijn favoriete jurkje tevoorschijn, rode zijde met een kanten lijfje, en meet voorzichtig de taille op. Die is 65 centimeter. Alles is hetzelfde als veertig jaar geleden, alleen mijn taille is veranderd.

Marianne Bernard, De Leunstoel, November 2007

terug naar
Columns Mode Lijst
40 over 40
‘Ik heb niets om aan te trekken!’ Iedere vrouw heeft wel eens deze wanhoopskreet geslaakt, staande voor een open kast vol met kleren Wat is hier aan de hand? Is er iets mis met die vrouw of is er iets met haar kleren? Wellicht is het probleem dat er in die kast hangen allemaal kleren die nergens meer voor geschikt zijn, of die niet meer bij elkaar passen. Je pakt een rok, maar die is eigenlijk te strak. Je trekt er een broek uit, maar die lijkt nogal gedateerd, en je hebt er geen enkele passende top bij. Er hangen heel wat jasjes, maar die hebben allemaal van die grote schoudervullingen uit de jaren tachtig. Je pakt een bloes, maar daar is een knoopje af.
De verklaring is niet dat je zo’n ontevreden persoontje bent. Nee, je hebt al in geen jaren je klerenkast uitgemest, laat staan iets weggedaan.
Neem eens op een zaterdagochtend de tijd om orde op zaken te stellen. Denk aan je ijskast: daar zit ook geen eten in waarvan de houdbaarheidsdatum al lang verlopen is. Zo zou je ook je kledingkast moeten bekijken en alles wegdoen wat te erg uit de mode is (of te klein geworden).Waarom zit er in kleding niet een merkje met een datum?
Natuurlijk zijn er ook ‘tijdloze’ kleren, die nooit uit de mode gaan (weet je het zeker?), of kleren die weliswaar niet meer kunnen, maar waar je aan gehecht bent. Nou, die bewaren we dan apart, ergens op zolder, maar niet tussen de dagelijkse kleren.
Kijk eens in een modeblad hoe de huidige mode is. Niet om je aan die graatmagere modellen te spiegelen, maar om je te oriënteren over het huidige modebeeld. De jasjes zijn kwiek en kort, de broeken glad van boven met iets uitlopende pijpen (geen bandplooi te zien), de rokjes rond de knie en zwierig, alles is kleurig – niet zwart. Wie kleren van tien of vijftien jaar geleden aan heeft ziet er tien jaar ouder uit. Je bent altijd de laatste om dat zelf in te zien, maar verder ziet iedereen dat wel.
Een andere kwestie is dat we vinden dat niets meer ‘staat’. Hoe komt dat? Het was toch zo’n duur pakje indertijd. Is het misschien zo dat we ons lijf met onze iets ouder geworden vormen en eigenaardigheden niet accepteren? Kijk eens serieus naar jezelf in de spiegel. Die buik, die hoort daar eigenlijk niet, die hoort bij een lange termijn project dat ‘ik ga afvallen’ heet. Die armen, die zijn niet zo mooi meer als toen je twintig was. Je ziet als het ware niet je eigen armen, maar die van je moeder. Het kost een hoop hersenwerk om te accepteren dat het je eigen armen zijn. Als je nou eerst eens blij zou zijn met hoe je bent en de volgende keer in de winkel een broek of een beha of een jasje in een passende maat zou kopen, een maatje groter dus, kijk dan eens hoe heerlijk je kleding weer voelt. Het klinkt raar, maar een goed passende, niet knellende, tailleband kan het zelfvertrouwen weer opvijzelen: je voelt je niet meer die te dikke gestopte worst, maar een elegante vrouw.
Deze prachtige wijsheden heb ik niet zelf uit mijn duim gezogen, maar naverteld uit het zeer grappige boekje 40 over 40. 40 Things every woman over 40 needs to know about getting dressed. Het is koop via Amazon en geschreven door Brenda Kinsel, die styliste is in Marin County, California (in de buurt van San Francisco- we herinneren ons de streek nog van The Serial). Logisch dat het een feel good boek is.
Het is inderdaad een opbeurend boekje. Je wordt er niet alleen vrolijk van, maar het daagt je ook uit tot daden: je bekijkt jezelf met een frisse nieuwe blik en gaat meteen plannen maken. Er staan heel veel tips in, bij voorbeeld dat je geen impulsaankopen moet doen. Dát zijn de kleren die later ongedragen in de kast hangen en je ervan weerhouden te kopen wat je wel nodig zou hebben. Ga je winkelen, maak dan van tevoren een goed plan: ik zoek een zó’n broek of zó’n trui. Vind je die niet, jammer, zoek een andere keer verder. Koop niet iets in de uitverkoop omdat het zo goedkoop is, maar eigenlijk te groot of te klein, of in een kleur die je eigenlijk niet bedoelde – dan zul je het wellicht nooit dragen. Koop wat je goed staat en goed past en betaal gewoon de volle prijs. Je bent het waard!

Marianne Bernard, De Leunstoel, Februari 2005

  Alles zwart
Ik heb me zojuist voorgenomen om voor deze zomer alleen nog maar kleren in vrolijke kleuren te kopen. Een kritische blik in mijn klerenkast had bevestigd waar ik al bang voor was: een groot deel van mijn kleren is zwart, of zwart met een heel klein beetje kleur. Er ligt één stapeltje gekleurde T-shirtjes en truitjes en verder hoge zwarte stapels.
Kijk ik naar mijn jurken en rokken, dan zie ik wel vijf little black dresses, weliswaar niet identiek en niet allemaal bruikbaar. Eén heeft lange mouwen (die is voor de winter), één is nogal kort en met een tamelijk lage hals, één is eigenlijk te strak (die hoort bij het lange-termijnproject ‘afvallen’) en de rest gaat wel.
Er hangen wel oneindig veel zwarte rokken. (niet drie, zoals genoeg zou zijn volgens het grappige gelijknamige boekje). Diverse lange, een klassieke nette korte, een hele nette iets klokkende, een tricot met volants, en ook nog een aantal met kleine kleurtoevoegingen, zoals borduursel, roze bloemetjes, bruine motiefjes. Zwarte broeken, daar heb ik er ook wel zes van, in alle denkbare variaties.
Nu hangen er naast al dat zwart ook wel een paar vrolijke kleurige rokken, maar toch: hoe komt het toch dat ik altijd ‘makkelijk’ doe en zonder nadenken een zwarte broek met een zwarte trui aantrek? Het is ooit begonnen omdat zwart me ‘dun’ zou maken. Dit uiteraard in de tijd dat ik nog echt heel dun was en het dus nergens op sloeg. Nu ik tegen de zestig loop begint het helaas noodzakelijk te worden om goed op te letten.
Het boek Does This Make Me Look Fat? (door Leah Feldon, te koop via Amazon) is niet voor niets geschreven. Daarin wordt precies uitgelegd dat zwart (en donkere effen kleuren) je silhouet langer – en dus dunner – maken. Het absorbeert het licht waardoor oneffenheden worden gecamoufleerd. Zwart is veiliger, je ziet er geen vetrandjes in. En het staat altijd sexy. Probeer maar eens hetzelfde jurkje, bloesje of T-shirtje in zwart of in wit. Het verschil is verbluffend.
Wit staat weliswaar zomers, stralend, vlot en vrolijk, maar zwart staat sexy en zwoel, met zwart ben je een vrouw van de wereld. Maar op een zonnige dag wil je niet altijd ‘zwoel’ uitstralen, nee, je wilt er gewoon fleurig en kleurig uitzien. (en stiekem natuurlijk toch dun en sexy ogen). Hoe pak je dat aan?
Ten eerste moet je kijken welke kleuren je flatteren, dat wil zeggen je huid een kick geven en niet grauw of grijs maken. Voorzichtigheid is geboden. Veel soorten rood, roze, oranje kunnen je vaal kleuren. Ook met allerlei soorten groen moet je oppassen dat het je niet lijkbleek maakt. Gewoon proberen maar.
Heb je eenmaal tot kleur besloten, dan gelden nog eens extra de geheimen van het optische bedrog dat slank doet lijken. Draag zoveel mogelijk van top tot teen één kleur, met slechts een klein beetje contrasterende kleur, zoals een sjaaltje of bloesje. Draag een liever een v-hals of wijde hals, vooral geen col en ook geen kraag, zeker geen opstaand boordje. Een mouwtje kan een flubber-arm camoufleren. Lichte kleuren tonen meer hobbels en bobbels, dus denk er extra aan dat je een goede, niet knellende beha draagt met zo min mogelijk kant en strikjes. Kijk ook even goed in de achteruitkijkspiegel: je witte of roze T-shirtje kan er aan de voorkant nog zo leuk zomers uitzien, maar als je op je rug een te strakke beha ziet gaat het effect verloren.
Natuurlijk wil je er ook nog een beetje modieus bij lopen. Gelukkig is dit voorjaar de mode heel draagbaar en vrolijk. Er zijn hele leuke korte jasjes in pasteltinten zoals roze, lichtblauw, zacht oranje en uiteraard wit. Daarbij veel zwierige rokken tot net over de knie of zelfs langer. Het is heel makkelijk om een elegante combinatie in een vrolijke kleur uit te zoeken.
Je ziet ook veel lange wijde strokenrokken (nagemaakt van Jean Paul Gaultier) waarbij iedere strook in een andere stof of kleur is. Die rokken staan helaas alleen lange slanke meisjes goed, maar je vindt dezelfde modellen ook in effen kleuren. Die zijn voor iedereen geschikt. Ik moet bekennen dat ik er zelf één in het zwart heb gekocht.
Zo, nu gaan we naar een leuk zomerfeest en ik neem me voor om iets kleurigs aan te trekken. Wat zegt mijn man: ‘Doe dat leuke zwarte jurkje nog eens aan.’
Dat had ik me dus juist niet voorgenomen, maar oké, vooruit, ik trek maar weer een little black dress aan, maar dan wel met mijn nieuwe roze jasje erbij.

Marianne Bernard, De Leunstoel, Mei 2005

  Altijd te veel bagage
Als vriendinnen weer eens klagen over hun man geef ik altijd hetzelfde antwoord: je kunt je man niet veranderen. (You always think you are the one to change him.)
Hij is nu eenmaal zoals hij is, inclusief zijn ergerlijke, mannelijke(?), proleterige huftergedrag, zoals boeren laten, ruw en luidruchtig zuipen, stomme – altijd dezelfde – grappen maken en daar zelf als enige hard om lachen. Mánnen!
Daar staat tegenover dat mannen zich wezenloos aan ons kunnen ergeren, aan eindeloos tutten, aan urenlang winkel in winkel uit in plaats van efficiënt iets kopen, en natuurlijk aan de kritiek die we op hun kleding hebben: zó kun je niet mee naar dat feest, etentje, noem maar op
Er is weer eens onderzoek naar gedaan: wat zijn onze grootste ergernissen in de relatie? De meeste echtscheidingen zouden niet worden veroorzaakt door vreemdgaan of geldproblemen, maar door zogenaamde ‘kleine’ ergernissen. De Telegraaf van 23 mei bevatte een prachtig lijstje. Ik gaf hierboven slechts een kleine selectie.
Nu weiger ik te geloven dat een relatie kan stuklopen op kleine irritaties. Je zou denken dat er meer aan de hand moet zijn. Waarom nemen we elkaar niet zoals we zijn, inclusief beider ‘slechte’ eigenschappen?
Als mijn man weer eens over mij klaagt en gaat opsommen wat hij allemaal zo vreselijk irritant aan mij vindt, geef ik altijd hetzelfde antwoord: ‘Waarom trouw je niet met een man?’ Zijn repliek is vaak: ‘Neem toch een homo.’
Ik denk inderdaad dat het gaat om het accepteren van het verschil in wezenstrekken tussen man en vrouw. Hij wou mij toch? Dan moet hij ook inzien en begrijpen dat ik een vrouw ben. Net zo min als hij ben ik van plan om een steek te veranderen, ik wil niet een soort man worden. Maar ongemerkt hebben we elkaar in de loop der jaren toch al aanzienlijk gepolijst.
Een van de ergernissen op het lijstje was ook: te veel bagage als je op vakantie gaat. Bij ons inderdaad een gevoelig punt. Ik zou altijd de boosdoener zijn. Als meisje had ik iedere zomer al ruzie met mijn vader wanneer ik de kleren had klaargelegd die ik wilde meenemen (en die in de familiekoffer mee moesten).
‘Maar die jurken nemen geen plaats in’, zei ik steevast.
‘Ja ja’, zei mijn vader, ‘een koffer vol jurken die geen plaats innemen.’
We zijn nu veertig jaar verder en nog steeds krijg ik bij elke vakantie hetzelfde verwijt. En het is allemaal onzin. Ik heb wel eens precies gewogen hoeveel kleren ik ging inpakken. Er was ruimte genoeg in de koffer, mijn spulletjes konden er makkelijk in. Maar daar kwam mijn man met zijn stapels boeken en cd’s die ook beslist mee moesten – het eind van het liedje was natuurlijk weer dat ik er twee paar schoenen en een jasje uit moest halen.
Een vrouw heeft nu eenmaal meer kleren nodig op vakantie. Ik wil er ook wel graag leuk uitzien als we ’s avonds romantisch gaan dineren. Hij kan volstaan met één lange en één korte broek plus een paar kleurige zomerbloesjes. Ik moet zowel sportieve als nette kleren mee en daar horen ook weer diverse schoenen bij: wandelschoenen, makkelijke loopschoentjes en mooie hoge-haksandalen. En één badpak is een beetje onhandig. Je moet ook nog iets anders aan als dat nat is.
Sommige luchtvaartmaatschappijen (vooral charters) zijn medeschuldig aan deze echtelijke ruzies. Je mag maar een beperkt gewicht per persoon meenemen. Voor je het weet heb je dat overschreden, zeker als je ook gympen en badhanddoeken meeneemt, en dan laten ze je op Schiphol – tot woede van mijn man – meteen een flinke toeslag betalen. (Een goede oplossing is: alle boeken in de handbagage.)
Deze zomer gaan we met de auto en dan is er gelukkig voor één keer geen probleem.

Marianne Bernard, De Leunstoel, juni 2005

  Shop till you drop
Vorige maand, tijdens de Drie dwaze dagen van De Bijenkorf, hoorde ik op de radio een onwaarschijnlijk verhaal: ze interviewden een man die met een aantal tassen buiten bij de draaideur stond te wachten op zijn vrouw, die steeds nieuwe aankopen bij hem kwam dumpen. Hij verloor daarbij noch zijn geduld noch zijn humeur. Hij was al lang blij dat hij niet mee naar binnen hoefde om in de ellebogende menigte koopjes te scoren.
Ik probeer me even mijn eigen man in een zo’n situatie voor te stellen, maar dat lukt niet. Die krijgt al een woedeaanval als hij me met één gele tas ziet thuiskomen. ‘Hoeveel heb je nu weer over de balk gesmeten aan frivoliteiten?’, roept hij dan, ’we kunnen beter je salaris rechtstreeks naar De Bijenkorf laten overmaken’.
Een berichtje The Independent: Een man en een vrouw kunnen best samen winkelen, maar niet langer dan 72 minuten, dus één uur plus 12 minuten, dan krijgen ze ruzie. Deze ‘verbijsterende’ constatering is het resultaat van onderzoek door de Britse psycholoog Tim Denison, die tweeduizend winkelende stellen heeft gevolgd. Mijn idee dat psychologen altijd hun tijd verdoen met het bewijzen van kwesties die je ook met je klompen kunt aanvoelen, wordt hier opnieuw bevestigd.
Wat is er aan de hand? Volgens de onderzoekers vertonen de mannen ‘oer-jachtgedrag’: ze hebben een doel voor ogen, zoeken dat op en slaan toe door direct te kopen. Zo doen ze wat ze van plan waren, ze krijgen wat ze zochten en dat is dat. Dan zakt hun bloeddruk onmiddellijk weer – die is gemeten (!) als bewijs van hun opwinding. Vrouwen daarentegen gedragen zich tijdens het winkelen als ‘verzamelaars’, ze nemen de tijd, hebben geen concreet doel voor ogen – en hun bloeddruk stijgt langzamer. Als troost wordt nog vermeld dat vrouwen betere ‘koopjesjagers’ zouden zijn.
Het is vreemd dat in het onderzoek niet wordt gesproken over de portemonnee als punt van conflict. Als wij al eens samen gaan winkelen, krijgen we al ver binnen de 72 minuten ruzie doordat ik soms kijk (alleen maar kijk) naar iets dat te duur zou zijn. Dat vindt hij (mijn jager, die recht op zijn doel af zou gaan) zinloos: ‘Waarom verkwist je je tijd met kijken naar iets waarvan je al van tevoren weet dat je het niet gaat kopen?’ En dan hebben we het nog niet eens gehad over slenteren, doelloos winkel in winkel uit lopen, zomaar af en toe iets passen zonder plan. Allemaal ‘vrouwelijk’ gedrag dat kennelijk tot het ‘verzamel’-instinct gerekend zou moeten worden. Hij wordt er doodmoe en gek van. De beste oplossing is meestal dat we ieder onze eigen weg gaan en ergens in een boekhandel of café afspreken, dan kunnen we daar alsnog ruzie maken over mijn nutteloze aankopen en verkwistende levensstijl. Soms probeert hij me zelfs te dwingen onmiddellijk iets terug te brengen.
Nee, dan gezellig winkelen met een vrouw. Het gaat om het plezier dat je dan kunt delen. In Amsterdam heb je de ‘Negen straatjes’, de Herenstraat en de Prinsenstraat met modezaakjes, tweedehands kledingwinkels, schoenenwinkels, antiekwinkeltjes. Op maandagochtend is er de Noordermarkt, waar ‘oude vodden’ op straat liggen. Vrouwen trekken dan iets uit een berg omhoog en houden dat lachend op voor hun vriendin die slechts het hoofd schudt. Je vindt altijd wel een bloesje of een tasje.
En soms gaat winkelen volkomen terloops. Ik moest even met een nieuwe collega naar het hoofdkantoor. Onderweg liepen we zonder overleg, als vanzelfsprekend, bijna zonder het te beseffen, drie schoenenwinkels binnen.
Dat noem ik nou shoppen en daar komt geen man aan te pas.

Marianne Bernard, De Leunstoel, Oktober 2004
terug naar
Colums Mode Lijst
Oudere dames, kop op!
Wie ziet hoe Theodor Holman ‘oudere vrouwen’ beschrijft, begrijpt dat het hier gaat over dames van boven de veertig of nog véél ouder, en dat die totaal niet meer meetellen. Die zijn stokoud, lelijk en vormeloos. Dat die er nog bij zouden horen en ‘het’ zouden doen, laat staan er plezier aan beleven, moet worden uitgesloten. Voor degenen die niet Het Parool lezen, citeer ik uit Holmans column van een tijdje terug: “Parelkettingwijven met een paardendeken als sjaal om hun paddennek, met te lange Schotse rokken om hun tafelheupen en van die halfhoge bejaardenpumps met brede hak aan hun boerenpaardenpoten, want die enkels kunnen die spekruggen van het taartjes eten niet meer in balans houden.”
Dat gaat dus over ons – de rustige lezeresjes van De Leunstoel. Normaal gesproken zou ik geneigd zijn de debiele opinie van Holman naast me neer te leggen, maar wat hij beweert staat ergens voor. Ik ben bang dat hij de spreekbuis is van vele mannetjes, holmannetjes en andere sukkels, die hun lul achterna lopen en voor wie een vrouw van boven de veertig onzichtbaar is. De hilariteit en weerzin waarmee Holman laatst beschreef hoe een vrouw van 66 met een vriend van hem uit het café was mee komen lopen om een leuke nacht te hebben. Stel je voor wat een dijenkletser! En daar had zijn vriend al aan gezeten! Nou moe, dat was wel de totale perversiteit ten top. Wat een diepe belediging voor zijn mannelijkheid.
Het beste kunnen wij ons teweer stellen tegen deze achterlijkheid door ons eigen positieve zelfbeeld er niet door te laten verpesten. We zijn geen parelteven, we zijn niet lelijk en we hebben er nog wel zin in (maar niet met Holman!). Kop op en borst vooruit, dames, we zijn nog lang niet uitgerangeerd. Wij kunnen er echt nog mooi en elegant uitzien, al zijn we geen 25 meer. Het kost misschien iets meer moeite en aandacht, maar dat is het wel waard. Hoe kunnen wij ons charmant kleden?
Om te beginnen zijn we niet meer zo slank als vroeger. Het zij zo, maar we zijn ook niet zo lang als de jonge meiden van nu. We moeten goed opletten wat we aantrekken, opdat we er niet uitzien als een klein teddybeertje. We hoeven niet slank te zijn, maar slank is nu eenmaal verbonden aan ‘jeugdig’ en dat staat weer voor ‘die is nog vruchtbaar’ – en dat maakt, in de ogen van mannen, een vrouw aantrekkelijk en zichtbaar. Dus moeten we door optisch bedrog lengte suggereren en een slanke taille. Het is bijna gênant om uit te leggen, maar zo werkt het nu eenmaal.
Draag nooit een wijde broek met een tent erboven. Dat maakt veel te vierkant en accentueert een topzware bovenkant. Draag liever een getailleerde top of bloes, die bij de heupen iets wijder valt (óver je rok of broek, niet erin), of doe een ceintuurtje om je wijde tent, waardoor het hele silhouet verandert en je de illusie wekt van een taille, ook al heb je die niet meer.
Verder zijn oudere armen en oksels niet meer zo mooi om te zien: draag een mouwtje, daardoor lijken stevige en zakkerige armen slanker. Loop niet te koop met armen waar zogenaamde gordijnen aan hangen.
Wat de meest flatteuze roklengte is heb ik onlangs al uitgelegd.
Het verschil tussen man en vrouw is dat mannen altijd aan seks denken. De hele dag door, zeker een paar keer per uur. Dat is geen bewering van mij, dat is wetenschappelijk bewezen. En daar leven en denken mannen dus naar. Dat moeten vrouwen zich goed bewust zijn. Als een man tegen een vrouw zegt: ‘Wat heb je een mooie jurk aan’, bedoelt hij eigenlijk, zonder het te beseffen: ‘Ik zou het wel met je willen doen.’ Het enige juiste antwoord daarop is: ‘Dank je’ – dan weet hij niet of je de boodschap hebt begrepen, noch het antwoord.
Mijn vriendin, die ook in de vijftig is en meestal in een makkelijke broek loopt, droeg naar een bruiloft een rode zijden shanghai-dress met hoge zijsplitten. Het effect was fantastisch: ze werd diverse keren door heren aangesproken die haar complimenteerden met haar mooie kleding.
Zelf had ik ook een keer bij een bezoek aan mijn bejaarde ouders mijn best gedaan om er leuk uit te zien. Daar kwam de tachtigjarige buurman binnen en zei: ‘Wat heeft u een leuke jurk aan.’ Ik wil maar zeggen: het houdt nooit op.

Marianne Bernard, De Leunstoel, mei 2004

  Badpakken
Ieder jaar gaan wij in februari twee weken naar Tenerife, omdat het daar heerlijk zacht weer is, terwijl het juist dan in Nederland winter is. Het is één van de Canarische eilanden. We gaan altijd naar hetzelfde hotel in hetzelfde plaatsje aan de rustige noordkant van het eiland. We zitten in een appartement met balkon met uitzicht op zee en beneden in de tropische plantentuin is het (verwarmde) zwembad.
Natuurlijk zijn wij niet van die types die daar heen gaan om plat op de rug in de zon te gaan liggen bakken, nee, wij zijn daar om te wandelen, te zwemmen en vooral voor de mooie natuur. Hoe komt het dan toch, vraag je je af, dat het zo’n drukte is bij het zwembad, terwijl iedereen dit over zichzelf zegt? Helaas moeten ook wij bekennen dat wij wel eens met een spannende thriller op een stretcher liggen in ons badpak.
Zodoende maak ik me ieder jaar weer enorm zorgen over mijn badpak: kan ik op mijn leeftijd met mijn figuur nog wel in een badpak, laat staan een bikini? Al vanaf begin januari ben ik met mezelf in de weer geweest: Wekenlang heb ik afgezien, niet gesnoept, nauwelijks alcohol gedronken, en niet te vergeten drie keer per week Pilates buikspieroefeningen gedaan. Nu alles is volbracht zit ik dus eindelijk in mijn badpakje.
Het is met badpakken net zoals met schoenen: heb je er eindelijk één gevonden die lekker zit, dan zou je er eigenlijk meteen drie moeten kopen, want ze slijten en rekken in een paar seizoenen uit tot een vormeloze zak en als ze echt op zijn, kun je niet meer dezelfde vinden. Bovendien is het kopen van een nieuw badpak een hele toestand. Je zoekt iets dat comfortabel zit; de bandjes mogen niet hinderen bij het zwemmen en het moet redelijk staan. Daarnaast moet het je zelfvertrouwen geven – een verkeerd badpak kan dat juist aantasten. Je moet er wel bruin in kunnen worden, maar het mag ook weer niet te klein zijn. Als het een te diep décolleté heeft of het is te hoog opgesneden bij de benen, is het al gauw te bloot. Is het te bloot, dan voel je je er onzeker in. Hier gaan we weer, dames, luister niet naar uw man. Als een badpak te bloot is, zal hij zeggen dat het juist goed staat. Bedenk steeds: bloot is niet sexy, maar ongemakkelijk.
Zo zitten we dus uiteindelijk heerlijk in ons badpak bij het zwembad en we kijken eens rond en plotseling beseffen we dat alle moeite helemaal voor niets was. Zie hoe de andere dames – vooral Duitse en Zweedse - er bij liggen. Die hebben zich niets afgevraagd. Die zijn gewoon hun ontspannen zelf: witte puddingen in te kleine bikini’s. Nou moe. Helemaal geen strakke lijfjes, maar schaamteloze, vormeloze buiken en billen. Daar durf ik mij nog wel aan te spiegelen. Vergeleken met het publiek bij het zwembad ben ik een toonbeeld van slankheid en goede smaak. Op het strand is het zo mogelijk nog erger: daar zitten ook Engelsen, die zijn niet alleen vormeloos maar ook spierwit en vervolgens rood verbrand.
We gaan dus vooral om te wandelen en om van de natuur te genieten en het eten is ook heerlijk. U moet de groeten uit Tenerife hebben.

Marianne Bernard, De Leunstoel, februari 2004

  Een witte zomerbroek
Op Koninginnedag droeg Máxima een schattig spijkerjasje met rafelrandjes. Daaronder had ze een strokenrok met lichte rood-witte streepjes. Volgens het boek Does This Make Me Look Fat? (door Leah Feldon, te koop via Amazon.com) zou deze outfit een totale disaster moeten zijn: veel te veel horizontale lijnen. Maar bij Máxima, onze nationale Barbiepop, stond het leuk, omdat ze lang en slank is – in tegenstelling tot de meeste vrouwen in Nederland.
Overigens zagen we het jasje op die dag niet voor het eerst. Ze was er al in gefotografeerd bij het uitzwaaien van Mabel en Friso, een weekje eerder. Toen droeg ze het met een witte lange broek en een wit T-shirt. Zelfs daarmee zag ze er vlot en elegant uit. Probeer je even voor te stellen hoe dit ieder ander zou staan: een witte broek met een wit T-shirt. Ikzelf zou er gegarandeerd uitzien als een Michelin-mannetje.
Is wit koel? Of cool? Waarom weet ik niet, maar als het echt lekker zomers weer wordt, wil iedereen ineens een witte lange broek aan. Dat geeft een maximaal zomergevoel. Je associeert een witte broek met zon en zee en flaneren op een boulevard.
In principe zijn er twee soorten witte lange broeken: die van katoenen twill, die een beetje stevig zijn, denk ook aan een witte spijkerbroek, en die van linnen, die een beetje doorzichtig en wat fladderiger en meestal ook wat wijder zijn. Die kun je al vanaf tien euro op de markt kopen.
Met een stevige witte broek kun je niet fout gaan. Met een dunne witte broek moet je oppassen. Je ziet er niet alleen vaag je benen door, nee, je ziet alles erdoorheen schemeren: je slipje, het hemdje dat je er zonder denken in hebt gepropt, ieder hobbeltje en bobbeltje. In de Amerikaanse Vogue zeggen ze het zo mooi: white is less forgiving.
De eerste vraag is: moet ik er een string onder aan? Het antwoord is simpel: een string is bedoeld om mooie billen tot hun recht te laten komen. Heb je die? Doen dus. Heb je die niet, dan kun je beter een ‘onzichtbare’ slip onder je witte broek dragen. Onzichtbaar is dan een zo min mogelijk contrasterende kleur. Je ziet wel eens vrouwen met een zwarte beha onder een witte bloes. Mijn man noemt zo iemand een ‘interessante verschijning’, dus dan weet je het al: die heeft een hoerige uitstraling. Een zwart slipje onder een witte broek heeft ook zo’n effect en het staat bovendien idioot. Bedenk verder dat zelfs een wit slipje nog een flink contrast met een zongebruinde huid kan geven; kies liever roze, of huidkleur, of een of andere pasteltint.
Kies een slip die glad zit en goed past, en vooral niet te strak (je wilt toch niet je love handles benadrukken). Gewoon thuis uitproberen voor de spiegel – maak een opstelling met een zogenaamde achteruitkijkspiegel (sta met je rug naar de grote passpiegel en kijk over je schouder met een handspiegel), zodat je ook goed de achterkant kunt beoordelen.
Wat draag je op je witte broek? Het mooie is dat eigenlijk alles er goed op staat: een trui, een bloes of een T-shirt, in zwart, donkerblauw of pasteltinten, maar ook in allerlei felle kleuren. Liever niet ook een witte top, tenzij je zo’n figuurtje als Máxima hebt en alles kunt dragen. Probeer het thuis voor je de vakantiekoffer inpakt. Met passen en meten wordt de meeste tijd versleten, maar deze tijd is goed besteed. Trek eerst een zwart hemdje aan bij je witte broek, daarna een wit en zie het verschil. Probeer ook wat er nog meer leuk op staat. Voor de stad is een mooie zwarte of donkerblauwe blazer een chique combinatie met je witte broek. En nu kun je ook eindelijk die witte pumps aan zonder er uit te zien als Katrien Duck.
Heb je na lang zoeken de perfecte witte broek gevonden, koop er dan meteen twee. Niets is immers zo kwetsbaar als wit. Voor je het weet mors je rode wijn of koffie of ga je in nat gras zitten.

Marianne Bernard, De Leunstoel, Juni 2004

  Rokkentijd!
Het is weer lente en dus weer rokkentijd. Het is nog wel te koel voor blote benen, maar toch, wat zit een rokje lekker en wat staat het leuk. We zijn opgelucht dat we na vijf koude maanden de lange broek eindelijk eens in de kast kunnen laten hangen.
Toch is het nog maar kort geleden dat een broek voor vrouwen not done was. In de jaren vijftig had mijn oom Jaap een motorfiets en als hij bij ons op bezoek kwam (hij woonde in een andere stad) zat mijn tante Tiny achterop met een broek van hém aan. Die verwisselde ze meteen voor een rok zodra ze bij ons binnen was, maar toch sprak mijn moeder er schande van. ‘Een vrouw in een mannenbroek’, dat hoorde niet. Een vrouwenbroek bestond niet en mijn tante droeg die broek niet als revolutionaire daad, maar uit praktische overwegingen. Ze schaamde zich zelf ook wel een beetje voor de gulp.
Eind jaren zestig werkte ik als secretaresse. Je ging op de fiets naar kantoor in een lange broek (een soort skibroek) en op het werk hing in een kastje op een hangertje je (plooi)rok. Panty’s bestonden ook nog niet, dus onder die broek droeg je nylons met jarretelles, zodat je de knopjes daarvan door je broek heen kon zien. Het was ondenkbaar dat je op het werk in een broek zou rondlopen. Een broek was om te schaatsen of voor een strandwandeling, maar hij hoorde niet bij het alledaagse en beschaafde leven. We waren geschokt door het verhaal van mijn vader dat hij in Genève vrouwen in broek in een restaurant had gezien. Dat konden wij ons niet voorstellen. De eerste broekpakken van Yves Saint Laurent, die nu klassiekers zijn, waren indertijd een sensatie. Vorige week zagen we op de televisie hoe de Spaanse koningin na de bomaanslagen het rampgebied bezocht. Zij was gekleed in een zwarte broek met een grijze blazer en daarmee zag ze er volkomen correct uit.
En nu dragen we een rok als afwisseling van de broek en dat is een heerlijk gevoel.
Wat voor rokjes gaan we dragen deze zomer? Als je de mode-advertenties ziet lijkt het wel of er uitsluitend minirokjes te koop zijn. Maar een minirok staat eigenlijk alleen maar bij meisjes van onder de twintig (en dan ook nog lang niet allemaal). Verder kun je een minirok of een heel kort jurkje eigenlijk alleen maar dragen naar het strand of op een tropische vakantie.
Een rok moet in principe langer dan breed zijn; dat staat het mooiste, want dat maakt je langer. De lengte kan heel bepalend zijn voor je uitstraling. Een rechte rok kan het beste rond de knie eindigen, in elk geval daar waar je been iets smaller is – of dit nu op, onder of boven de knie is. Een langere rok, die een stukje onder de knie ergens op de kuit eindigt, doet de benen veel steviger lijken. Dan zie je er meteen tuttig en ouderwets uit, als een matrone. Wil je geen korte rok, kies dan voor een lengte tot waar de benen weer smaller zijn, dus iets boven de enkel. Probeer het maar voor de spiegel met een lap stof, of rol een lange rok in de taille op tot je de juiste lengte ineens ziet.
Een rok staat mooi als hij goed past, dat betekent vooral dat hij niet te strak moet zitten. Is de tailleband te strak (je moet er een vinger tussen kunnen steken), dan zie je een bolle buik en vetrandjes op de achterkant – bovendien kun je dan geen hap eten.. Is de rok helemaal te strak, dan zie je niet alleen je ondergoed erdoor, maar lijk je wel een gestopte worst.
Nu zijn er dit voorjaar niet alleen rechte rokjes, maar ook veel soepele klokkende, vaak schuin geknipte rokken te koop. Die kunnen heel flatteus staan. Bedenk wel: hoe wijder de rok, hoe langer hij moet zijn om elegant te staan. Denk ook nu aan de regel: een rok moet langer dan breed zijn. Een hele wijde rok – Prada komt deze zomer zelfs met ouderwetse rimpelrokken (ja, denk aan Brigitte Bardot) – staat eigenlijk niemand. Heb je smalle heupen, dan zou je wel gek zijn om dat effect te verstoppen en jezelf te veranderen in een paddestoel. Heb je flinke heupen, dan wil je die juist een beetje camoufleren en dat gaat het beste met een soepel vallende, iets klokkende rok.
Zo en nu gaan we lekker zwierig in ons rokje de straat op en zie: de mannen kijken, maken opmerkingen en fluiten. Hoort dat bij de lente of bij de rokjes? Je kunt nergens voorbij lopen – stratenmakers, verhuizers, schilders, alles wat buiten bezig is heeft niets beters te doen dan: ‘wat kijkt ze boos’ of ‘goedemorgen!’ te roepen. Rokjes maken mannen weer ouderwetse haantjes.
Een tijdje geleden liepen er veel Schotten door Amsterdam, die hier voor een voetbalwedstrijd waren gekomen. Bij ons op de gracht waren juist stratenmakers aan het werk. Drie Schotten liepen over de brug en een stratenmaker begon te fluiten. Zijn collega zei nog: ‘Zie je niet dat dat mannen zijn?’ ‘Natuurlijk, ik ben niet gek’, antwoordde hij, ‘maar ik fluit uit principe naar elke rok!’

Marianne Bernard, De Leunstoel, April 2004
  Weg met de coltrui
De winter staat weer voor de deur, dus halen we de coltruitjes weer tevoorschijn.
Misschien kun je dat beter laten, want het is de vraag of de coltrui wel zo’n goed idee is. Natuurlijk denk je: die zit lekker warm en behaaglijk, maar vraag je eens af: hoe stáát hij mij?
Dezer dagen, mooi net voor Sinterklaas, is het boekje Wat moet ik aan? verschenen (Archipel), de Nederlandse vertaling van What not to wear. Het hoort bij de gelijknamige BBC-televisieserie, waar we vorig jaar van konden genieten. In dit boekje leggen Trinny Goodall en Susannah Constantine op licht hilarische manier uit hoe je het beste je zwakke punten kunt verdoezelen en jezelf ondanks ‘tekortkomingen’ kunt omtoveren tot een aantrekkelijke, elegante, goed geklede vrouw. Wie zou dat niet willen?
Laten we een van onze zwakke punten eens nader bekijken, iets dat de meeste ouder wordende vrouwen hindert: de steeds groter wordende boezem. Of om het een beetje cru te zeggen: we worden topzwaar. Wil je dit min of meer camoufleren door optisch bedrog, dan werkt de coltrui contraproductief. De col (en ook de hoge ronde hals) benadrukt de top; hij vergroot de boel. Met een v-hals trui of een lage ronde boothals bereik je het omgekeerde effect en zie je er duizend keer flatteuzer uit.
Neem de proef op de som: ga voor de spiegel staan, trek een coltrui aan, trek daarna een v-hals trui aan en beleef het verschil in uitstraling. Voor mijzelf was het een openbaring.
Precies het tegenovergestelde zie je vaak bij jonge meisjes. Die komen binnen in een knalgeel coltruitje zonder mouwen. ‘Nice tits’, fluistert mijn man. Ja inderdaad, die boezem is het eerste wat je ziet, die loopt als het ware voor haar uit, terwijl hij eigenlijk niet zoveel voorstelt. En kijk eens naar haar vriend die er glimmend van trots naast staat. Haar tieten zijn zijn statussymbool. Voor ze van huis gingen twijfelde ze nog of ze dit opzichtige truitje wel zou aantrekken, maar hij zei: ‘Dat staat je goed!’ Arm meisje, ze moet nog leren wat zijn woorden betekenen.
Dames, luister toch niet naar je man of vriend. Hij zal je in volle overtuiging als een namaakhoer willen uitdossen en je voor gek laten lopen in een coltruitje of een te korte minirok, liefst ook nog met hoge hakken.
In het boek gaan Trinny en Susannah zelfs zo ver dat ze dringend aanraden alle coltruien in één keer de deur uit te doen. Wees radicaal, zelfs de kleren waar je aan gehecht bent, die je als je maatjes ziet: doe ze weg, zodat je nooit meer in de verleiding komt om ze toch nog eens aan te trekken.
Intussen is op internet al een vervolg op What not to wear aangekondigd: Susannah and Trinny show you how to have style without being a slave to fashion. De nieuwe tv-serie waar het boek bij hoort, begint op in november a.s. op BBC 2. Ik verheug me er enorm op.

Marianne Bernard, De Leunstoel, November 2003

terug naar Home

terug naar Columns Mode Lijst